NVM Tuchtrechtspraak

16-2618 CRvT

Hoger beroep te laat ingesteld. 
Beklaagden zijn door de raad van toezicht veroordeeld. De brief waarin het vonnis is neergelegd is op 22 februari 2016 verzonden. De beroepstermijn is derhalve op 23 februari 2016 ingegaan en eindigde op 18 april 2016. De fax waarin hoger beroep werd ingesteld is op 19 april door de secretaris van de Centrale Raad ontvangen. Beklaagden/appellanten hebben niet aan kunnen tonen dat hun appèlbrief van 11 april 2016 door hen tijdig is verzonden. Appellanten zijn derhalve niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.

> Download uitspraak (pdf)
> Uitspraak RvT West, 16-05 RvT West

 


De Centrale Raad van Toezicht geeft de volgende uitspraak in de zaak van:

1. X MAKELAARDIJ, NVM-lid, gevestigd te H,
2. de heer R. S., aangesloten NVM-Makelaar, kantoorhoudende te Hellevoetsluis, appellanten/beklaagden in eerste aanleg,

tegen

T U, gevestigd te T, geïntimeerde/klaagster in eerste aanleg.

1.     Verloop van de procedure
1.1   Bij e-mail van 11 december 2015 heeft klaagster (hierna: T U) een klacht ingediend bij de afdeling Consumentenvoorlichting van de NVM. Deze heeft de klacht doorgeleid naar de Raad van Toezicht West. In de beslissing van 3 februari 2016, verzonden bij brief van 22 februari 2016 (gepubliceerd onder nummer 16-05), is op die klacht beslist. In deze beslissing is de ingediende klacht gegrond verklaard. Appellant sub 2 (hierna: de makelaar) is een schorsing voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. De Raad van Toezicht heeft bepaald dat appellanten met een bedrag van € 2.684,- dienen bij te dragen in de kosten van de behandeling van de klacht.
1.2    Appellanten zijn bij brief gedateerd 11 april 2016 van deze beslissing van 3 februari 2016 in hoger beroep gekomen. Op 19 april 2016 hebben appellanten telefonisch contact opgenomen met het secretariaat van de Centrale Raad van Toezicht om na te gaan of de brief van 11 april 2016 was ontvangen. Omdat de brief van 11 april 2016 niet bekend was bij het secretariaat, hebben appellanten bij fax van 19 april 2016 de brief gedateerd 11 april 2016 gestuurd.
1.3    In hun brief van 24 mei 2016 hebben appellanten de gronden aangevoerd waarop hun hoger beroep is gebaseerd.
1.4    T U heeft bij brief van 1 juni 2016 bericht dat zij geen verweer voert in hoger beroep.
1.5    De Centrale Raad van Toezicht heeft kennisgenomen van de in eerste instantie tussen partijen gewisselde stukken en de beslissing van de Raad van Toezicht.
1.6    Ter zitting van 13 september 2016 van de Centrale Raad van Toezicht zijn verschenen:
-      de makelaar in persoon, mede namens appellant sub 1;
-      namens T U: de heer H. W..
Partijen zijn door de Centrale Raad van Toezicht gehoord en hebben hun standpunten nader toegelicht.
Ter zitting heeft de voorzitter van de Centrale Raad van Toezicht aan partijen voorgehouden dat de vraag rijst of appellanten tijdig in hoger beroep zijn gekomen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld op de ontvankelijkheidsvraag te reageren, waarna de zaak ook inhoudelijk is behandeld voor het geval appellanten tijdig in hoger beroep zijn gekomen.

2.     Beoordeling van het geschil in hoger beroep
2.1   De klacht van klaagster is op 11 december 2015 ingediend, zodat op grond van artikel 60 Reglement Tuchtrechtspraak NVM, laatstelijk vastgesteld op 28 juni 2016, van toepassing is het reglement zoals dat luidde ten tijde van indiening van de klacht, zijnde het Reglement Tuchtrechtspraak NVM, vastgesteld op 25 juni 2015 en in werking getreden op 1 juli 2015.
2.2   Op grond van artikel 39 Reglement Tuchtrechtspraak NVM dient hoger beroep bij de Centrale Raad van Toezicht te worden ingesteld door middel van een schriftelijke kennisgeving, welke door het Algemeen Bestuur van de NVM moet zijn ontvangen binnen acht weken na dagtekening van de brief waarbij het afschrift van de uitspraak is toegezonden.
2.3   Op goede gronden vermelden de brieven van de Raden van Toezicht, waarbij de beslissing wordt toegezonden, veelal dat hoger beroep ook kan worden ingesteld bij de secretaris van de Centrale Raad van Toezicht, zodat een redelijke toepassing van artikel 39 Reglement Tuchtrechtspraak NVM met zich meebrengt dat een hoger beroep ook tijdig is ingesteld als de kennisgeving van hoger beroep door de secretaris van de Centrale Raad van Toezicht binnen acht weken na dagtekening van de brief, waarbij de beslissing van de Raad van Toezicht is toegezonden, is ontvangen.
2.4   Voorts wordt in beginsel een beroep geacht tijdig te zijn ingesteld als vast komt te staan dat de kennisgeving binnen de beroepstermijn is verzonden en kort na het verstrijken van de beroepstermijn bij het Algemeen Bestuur of de secretaris van de Centrale Raad van Toezicht is ontvangen (zie onder meer CRvT 09-2253 en 09-2262).
Bovendien kunnen in uitzonderlijke situaties bijzondere omstandigheden meebrengen dat een eerst (kort) na de beroepstermijn verzonden en ontvangen kennisgeving van hoger beroep geacht wordt tijdig te zijn ingesteld (zie onder meer CRvT 12-2418).  
2.5   De beslissing van de Raad van Toezicht West van 3 februari is bij brief van 22 februari 2016 door de secretaris van de Raad van Toezicht West aan appellanten toegestuurd. In haar brief heeft de secretaris vermeld dat de kennisgeving van hoger beroep binnen acht weken na dagtekening van haar brief door de secretaris van de Centrale Raad van Toezicht of het Algemeen Bestuur moet zijn ontvangen. In deze brief heeft de secretaris tevens vermeld dat in de kennisgeving, waarbij het hoger beroep wordt ingesteld, de gronden van het beroep nog niet vermeld behoeven te worden.
2.6   De Centrale Raad van Toezicht stelt vast dat in dit geval de beroepstermijn op 23 februari 2016 is ingegaan en is geëindigd op 18 april 2016.
2.7   Appellanten stellen dat zij bij de per post verzonden brief gedateerd 11 april 2016, gericht aan de secretaris van de Centrale Raad van Toezicht, in hoger beroep zijn gekomen.
Deze per post verzonden brief is echter niet vóór het verstrijken van de beroepstermijn en evenmin (kort) nadien door de secretaris van de Centrale Raad van Toezicht ontvangen. Hierdoor kan de Centrale Raad van Toezicht ook niet aan de hand van bijvoorbeeld het stempel op de enveloppe nagaan wanneer die brief gedateerd 11 april 2016 voor verzending per post is aangeboden. Appellanten hebben evenmin bewijs overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de desbetreffende brief daadwerkelijk vóór het verstrijken van de termijn ter postbezorging is aangeboden.
Eerst bij fax van 19 april 2016 heeft de secretaris van de Centrale Raad van Toezicht de kennisgeving van het hoger beroep van appellanten ontvangen. Dit is een dag nadat de beroepstermijn is verstreken, zodat de Centrale Raad van Toezicht het ervoor heeft te houden dat appellanten niet tijdig binnen de beroepstermijn van de beslissing van de Raad van Toezicht in hoger beroep zijn gekomen.
2.8   Door appellanten zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd en zijn evenmin gebleken die meebrengen dat van een zodanig uitzonderlijke situatie sprake is dat de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is.
2.9   De slotsom is derhalve dat appellanten niet in hun hoger beroep kunnen worden ontvangen.
De Centrale Raad van Toezicht ziet in dit geval geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 46 lid 2 Reglement Tuchtrechtspraak NVM.
2.10 Gelet op de inhoud van de statuten en het Reglement Tuchtrechtspraak NVM komt de Centrale Raad van Toezicht tot de volgende uitspraak.

3.     Beslissing in hoger beroep
3.1   Verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun beroep.

Aldus gewezen te Amersfoort door mr. D.H. de Witte, voorzitter, mr. J.A. van den Berg, mr. J.C. Borgdorff, F.J. van der Sluijs, leden en mr. C.C. Horrevorts, lid/secretaris en ondertekend op 31 oktober 2016.