NVM Tuchtrechtspraak

14-2514 CRvT

Beweerdelijke orkestratie van faillissement van makelaarskantoor en faillissementsfraude. Verschillende samenstelling tuchtcollege bij tussen- en eindbeslissing. Niet gespecificeerde wraking.
(Zie ook 14-2486 CRvT)
Klager voerde de administratie van enkele aan elkaar gelieerde bedrijven waaronder een makelaarskantoor. In maart 2012 neemt dat kantoor een ander makelaarskantoor over en wijzigt de naam. In juli 2012 wordt die onderneming op eigen verzoek failliet verklaard. In augustus 2012 neemt een andere gelieerde makelaarsonderneming de orderportefeuille over waarvoor de rechter-commissaris toestemming verleent. Voor de stelling van klager dat een en ander is georkestreerd, dat crediteuren zijn benadeeld en dat de orderportefeuille veel groter was dan op papier is overgedragen waardoor er te weinig voor is betaald, draagt klager te weinig aan.
Dat de samenstelling van de raad van toezicht bij de eindbelissing anders was dan bij de eerder genomen tussenbeslissing vindt zijn oorzaak in het feit dat in de tussentijd twee leden van het college vanwege hun bereikte leeftijd zijn afgetreden. Nu van de zitting voorafgaand aan de tussenbeslissing uitvoerig proces-verbaal is opgemaakt waarvan de nieuwe leden kennis hebben kunnen nemen, is de verschillende samenstelling van het tuchtcollege niet bezwaarlijk.
Klager heeft niet aangegeven welk lid van het tuchtcollege hij wenste te wraken.

> Download uitspraak (pdf)
> Tussenbeslissing RvT Arnhem, 13-52 RvT Arnhem
> Uitspraak RvT Arnhem, 13-53 RvT Arnhem



De Centrale Raad van Toezicht geeft de volgende uitspraak in de zaak van:

F.P. B. en M.J.H. B.-V. (hierna: gezamenlijk “B”), beiden wonende te A, appellanten/klagers,

tegen

INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ Z B.V. (hierna: “IZ”), voorheen S Makelaardij B.V., gevestigd en kantoorhoudende te A, beklaagde/verweerster in hoger beroep,
B. S. (hierna: “Sn”), aangesloten NVM-Makelaar, kantoorhoudende te A, beklaagde/verweerder in hoger beroep,
M. O., (hierna: “O”), aangesloten NVM-Makelaar, kantoorhoudende te O, beklaagde/verweerder in hoger beroep,
S WONINGMAKELAARS B.V. (hierna: “S Woningmakelaars”), lid van de vereniging, gevestigd en kantoorhoudende te A, beklaagde/verweerster in hoger beroep.

1.   Verloop van de procedure
1.1  Bij brief van 23 juli 2012 heeft B een klacht ingediend tegen IZ, S, O, S Woningmakelaars en S Beheer bij de afdeling Consumentenvoorlichting van de NVM. Deze heeft de klacht doorgeleid naar de Raad van Toezicht Arnhem. Ter zitting van 9 oktober 2012 van de Raad van Toezicht is de klacht tegen S Beheer ingetrokken omdat deze onderneming geen lid is van de NVM. Na een op 3 december 2012 gegeven tussenbeslissing is in de beslissing van 24 juni 2013 op die klacht beslist. In deze beslissing is de klacht ongegrond verklaard. Bij brief van 14 augustus 2013, ontvangen op 15 augustus 2013, is B tijdig van deze beslissing in hoger beroep gekomen.
1.2  In de brief van 19 september 2013, aangevuld bij brief van 30 september 2013, heeft B de gronden aangevoerd waarop het hoger beroep is gebaseerd.
1.3  IZ, S en S Woningmakelaars hebben in hun verweerschrift van 18 oktober 2013 verweer gevoerd in hoger beroep.
1.4  Bij brief van 21 december 2013 heeft B een productie in het geding gebracht en verzocht om aanhouding van de behandeling. Bij brief van 14 januari 2014 heeft B enkele aanvullende producties in het geding gebracht.
1.5  De Centrale Raad van Toezicht heeft kennis genomen van de in eerste instantie tussen partijen gewisselde stukken en de beslissing van de Raad van Toezicht.
1.6  Ter zitting van 23 januari 2014 van de Centrale Raad van Toezicht is Spitman verschenen, mede namens IZ en S Woningmakelaars, bijgestaan door mr. E.R. Looyen. In een door de Centrale Raad van Toezicht op 23 januari 2014 ontvangen brief heeft F.P. B. meegedeeld dat hij niet in staat is om ter zitting te verschijnen, maar hij heeft niet om aanhouding van de behandeling verzocht. Bij deze brief is nog een productie in het geding gebracht evenals een pleitnotitie. Deze brief is ter zitting van 23 januari 2014 aan S en mr. Looyen ter hand gesteld en aan hen is de gelegenheid geboden om daarvan en van de inhoud van de pleitnotitie kennis te nemen.
1.7  S is door de Centrale Raad van Toezicht gehoord. Mr. Looyen heeft aan de hand van een pleitnotitie de standpunten van IZ, S en S Woningmakelaars nader toegelicht.

2.    De feiten
2.1  Als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde bescheiden, voor zover niet betwist, staat het navolgende vast.
2.2   F.P. B. is verbonden aan de onderneming FB administratieve consulting B.V. Deze onderneming heeft tot 1 januari 2012 administratieve diensten verleend aan IZ (destijds: S Makelaardij), S Woningmakelaars B.V. (voorheen S Vastgoeddiensten B.V.) en S Beheer B.V.
2.3   B had destijds aan S Makelaardij B.V. de opdracht tot verkoop van een woonhuis gegeven. Bij brief van 29 februari 2012 heeft S Makelaardij B.V. aan B aangeboden om deel te nemen aan de op 31 maart 2012 te houden NVM Open Huizen dag. Bij brief van 13 maart 2012 heeft S Makelaardij B.V. aan B bericht dat uit strategische overwegingen het in A gevestigde makelaarskantoor A Makelaars door haar was overgenomen.
2.4   Op 26 juni 2012 heeft S Makelaardij B.V., waarvan de statutaire naam op 15 mei 2012 was gewijzigd in Investeringsmaatschappij Z B.V., de jaarrekening 2011 gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Daarin is onder meer vermeld:
“Op basis van de ontwikkelingen in de onroerend goed markt is de verwachting van de directie dat komend jaar de bedrijfsresultaten bij ongewijzigd beleid niet zullen verbeteren. Om de continuïteit van de activiteit te waarborgen is eind 2011 een intentieovereenkomst met A Makelaars B.V gesloten. Hierbij is de intentie uitgesproken dat de woningmakelaardij activiteiten van Investeringsmaatschappij Z B.V. en van A Makelaars B.V. in 2012 worden voortgezet door S Woningmakelaars B.V. Met deze samenwerking worden aanzienlijke kostenbesparingen verwacht, hetgeen de mogelijke continuïteit van de activiteiten in de toekomst ten goede komt. Vooruitlopend op deze nadere samenwerking hebben in 2011 afboekingen op vaste activa plaatsgevonden.
Na de verkoop van de activiteiten door Investeringsmaatschappij Z B.V. aan S Woningmakelaars B.V. zal de vennootschap niet zonder meer in staat zijn om aan haar verplichtingen te voldoen. Met schuldeisers zullen in 2012 dan ook nadere afspraken gemaakt moeten worden ter nakoming van haar verplichtingen.”
2.5  Op 2 juli 2012 is IZ op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard. Met toestemming van de Rechter-Commissaris heeft de curator de orderportefeuille - volgens het faillissementsverslag van 14 augustus 2012 ging het daarbij om 186 schriftelijk verstrekte opdrachten - voor € 78.000,-- verkocht aan S Woningmakelaars B.V.
2.6   Bij brief van 26 juli 2012 heeft F.P. B. aan de curator bericht dat bij hem het vermoeden bestond dat sprake is van faillissementsfraude en dat door de curator in te stellen onderzoek aan het licht zou brengen dat sprake is geweest van bedrog/oplichting en/of bedrieglijke bankbreuk.

3.     De klacht
3.1  De klacht, zoals deze door de Raad van Toezicht is samengevat, tegen welke samenvatting geen bezwaar is gemaakt, houdt het navolgende in.
3.2  S en O hebben het faillissement van IZ geregisseerd met het oogmerk om met behulp van de boedelbestanddelen de makelaarspraktijk voort te zetten binnen het verband van Sn Woningmakelaars en de crediteuren van IZ te benadelen door een lege vennootschap achter te laten. S en O hebben de crediteuren benadeeld door aan de curator voor te houden dat sprake was van 186 verkoopopdrachten, terwijl in werkelijkheid sprake was van 400 tot 500 verkoopopdrachten die zij op oneigenlijke wijze hebben doorgeschoven naar S Woningmakelaars. S en O hebben voorts ten onrechte verzuimd om B te betrekken bij de herstructurering van (destijds) S Makelaardij B.V.
3.3  IZ heeft blijkens door haar verzorgde correspondentie verzuimd haar inschrijving in het Handelsregister te vermelden, dan wel heeft een onjuiste inschrijving vermeld.
3.4  S Woningmakelaars heeft ten onrechte, namelijk op het moment dat zij nog geen lid was van de NVM, gebruik gemaakt van het NVM-logo.

4.    Het hoger beroep
4.1  B heeft in hoger beroep, samengevat en zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd.
4.2  De Raad van Toezicht heeft verzuimd om ervoor zorg te dragen dat de procedure in eerste instantie op formeel juiste wijze werd gevoerd. Aangezien de door de Raad van Toezicht ontvangen verweerschriften eerst op 24 september 2012 zijn verzonden bestond voor B niet de mogelijkheid meer om de behandeling ter zitting van 9 oktober 2012 naar behoren voor te bereiden. Tijdens deze zitting is de integriteit van één van de leden van de Raad van Toezicht aan de orde gesteld maar het desbetreffende lid heeft niettemin geen aanleiding gezien om zich te verschonen. Op grond van artikel 7 lid 6 van het Reglement Tuchtrechtspraak NVM bestond voor B niet meer de mogelijkheid om een verzoek tot wraking in te dienen. De Raad van Toezicht heeft tot slot zijn eindbeslissing in een andere samenstelling genomen dan in zijn tussenbeslissing.
4.3   De behandeling van de klacht is onlosmakelijk verbonden met de behandeling van de klacht die FB administratieve consulting B.V. heeft ingediend tegen A Bedrijfsmakelaars, A Vastgoeddiensten B.V., J. Z. en P. S.. Er bestaat aanleiding om de behandeling van de klachten te voegen en terug te verwijzen naar de Raad van Toezicht Arnhem.
4.4   Als gevolg van hoge privéopnames door leden van de directie is per 31 december 2011 een rekening-courantschuld ontstaan van € 160.000,-- en die is de voornaamste oorzaak geweest van de liquiditeitsproblemen bij S Makelaardij. Eind 2011 hebben de A-bedrijven en S Makelaardij het faillissement van S Makelaardij voorbereid evenals de doorstart van de makelaarspraktijk binnen het al bestaande makelaarskantoor S Vastgoeddiensten. Er is sprake geweest van een schijnconstructie waarover niet alleen aan de consumenten, maar ook aan relaties, leveranciers en collegae bewust onjuiste informatie is verstrekt, onder meer door de verspreiding van het bericht dat A Makelaars was overgenomen door S Makelaardij. Ook is misbruik gemaakt van handelsnamen en het NVM-logo.
4.5   Vanaf begin 2012 zijn opdrachten ondergebracht bij S Woningmakelaars B.V. dat geen lid was van de NVM. Nagelaten is om de naamswijziging in IZ mee te delen aan de NVM en door te voeren op Funda.

5.    Het verweer
5.1  IZ, S en S Woningmakelaars hebben in hoger beroep, samengevat en zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd.
5.2  Bij brief van 3 september 2012 heeft de secretaris van de Raad van Toezicht de klacht en het door B samengestelde dossier toegezonden met de mededeling, zonder daarbij een termijn te vermelden, dat een verweerschrift rechtstreeks bij de Raad van Toezicht kon worden ingediend. Aangenomen kan worden dat het verweerschrift twee weken voorafgaande aan de zitting aan B is toegezonden.
5.3  Artikel 7 van het Reglement Tuchtrechtspraak NVM biedt de mogelijkheid om leden van de Raad van Toezicht te wraken. Geen (rechts)regel schrijft voor dat voorafgaande aan de zitting de identiteit van de leden van de Raad van Toezicht bekend moet worden gemaakt. B heeft niet toegelicht ten aanzien van welk lid van de Raad van Toezicht twijfels zouden kunnen bestaan met betrekking tot diens integriteit.
5.4  B heeft nagelaten om een toelichting te geven op het verzoek om de behandeling van de klacht te voegen met de behandeling van een tegen de A-bedrijven ingediende klacht. Om dat geen aanleiding bestaat om een besluit tot voeging te nemen dient het verzoek afgewezen te worden.
5.5  F.P. B. was ermee bekend dat in het najaar van 2011 een intentieovereenkomst was gesloten die was gericht op samenwerking. Hij was er ook van op de hoogte dat A Beleggingen B.V. op 13, 20 en 31 oktober 2012 en voorts op 18 november en 1 december 2012 bedragen heeft geïnvesteerd in S Makelaardij. Aangezien vaststaat dat vanaf maart 2012 de kosten die waren verbonden aan de bedrijfsvoering van S Makelaardij zijn gedragen door S Woningmakelaars bestaat geen grond voor de stelling dat bewust naar het faillissement is toegewerkt. Pas korte tijd voordat op eigen verzoek het faillissement werd uitgesproken is het inzicht ontstaan dat een faillissement niet kon worden vermeden.
5.6   Anders dan B heeft aangevoerd is de opdrachtenportefeuille van IZ niet ingebracht in S Woningmakelaars. Na het faillissement heeft S Woningmakelaars deze portefeuille van de curator gekocht. In de met deze gesloten overeenkomst zijn nacalculatie-afspraken gemaakt naast een afspraak met betrekking tot een succesfee indien de contractueel benoemde ratio’s zouden worden behaald. Betwist wordt het door B niet onderbouwde standpunt dat de opdrachtenportefeuille omvangrijker is geweest dan door de curator is vastgesteld. Dat geldt ook voor de verwijten dat aan IZ activa zijn onttrokken, valse overeenkomsten zijn opgesteld, selectieve betalingen zijn uitgevoerd en faillissementsfraude is gepleegd.
5.7  Met de curator is overleg gevoerd over het aanbieden van een faillissementsakkoord. Een door de Rabobank Arnhem uitgevoerd integriteitsonderzoek heeft tot de uitkomst geleid dat geen grond bestaat om daaraan geen medewerking te verlenen.
5.8  Sinds 7 augustus 2012 is S Woningmakelaars lid van de NVM. Vanaf 15 mei 2012 waren de daaraan verbonden makelaars aangesloten bij de NVM. Anders dan B heeft aangevoerd kon daarom het NVM-logo rechtmatig worden gevoerd.

6.    Beoordeling van het geschil in hoger beroep
6.1  Door het hoger beroep ligt de klacht in volle omvang ter beoordeling aan de Centrale Raad van Toezicht voor.
6.2  De beslissingen van 3 december 2012 en 24 juni 2013 hebben blijkens de tekst daarvan mede betrekking op S Beheer B.V. Aangezien de klacht tegen S Beheer B.V. echter is ingetrokken ter zitting van 9 oktober 2012 zoals is opgenomen in het proces-verbaal van die zitting en ook is overwogen onder 4.1 van de beslissing van 3 december 2012, is deze beklaagde ten onrechte als partij in beide beslissingen opgenomen en deze kunnen daarom niet in stand blijven.
De Centrale Raad van Toezicht zal hieronder allereerst de bezwaren bespreken die door B in hoger beroep zijn geformuleerd tegen de in eerste instantie gevolgde procedure.
6.3  B heeft de stelling dat kan worden getwijfeld aan de integriteit van één van de leden van de Raad van Toezicht niet alleen op geen enkele wijze onderbouwd of toegelicht, maar ook verzuimd om te vermelden om welk lid het daarbij zou gaan. De Centrale Raad van Toezicht gaat dan ook aan dit bezwaar van B voorbij.
6.4  B heeft gesteld dat de Raad van Toezicht bij brief van 24 september 2012 de verweerschriften van beklaagden heeft doorgezonden. Aangezien de behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2012 is aan B gedurende een redelijke termijn de gelegenheid geboden om van de inhoud daarvan kennis te nemen en de behandeling ter zitting voor te bereiden. Voorts geldt dat de behandeling van de klacht vervolgens is aangehouden tot en met 31 maart 2013 en B in de gelegenheid is gesteld om de klacht nader te onderbouwen en B van die gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt door bij brief van 30 maart 2013 aanvullende producties in het geding te brengen voorzien van een toelichting. Bij die stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat aan B niet voldoende de gelegenheid is geboden om te reageren op de tegen de klacht gevoerde verweren.
6.5  B heeft er op gewezen dat de door de Raad van Toezicht gegeven eindbeslissing is genomen in een andere samenstelling dan de eerder genomen tussenbeslissing. Naar aanleiding van deze bemerking stelt de Centrale Raad van Toezicht voorop dat het de voorkeur verdient dat na aanhouding van een behandeling, de voortzetting daarvan plaatsvindt door de leden die eerder bij de behandeling betrokken zijn geweest. In het onderhavige geval staat vast dat van de behandeling ter zitting van 9 oktober 2012 een (uitgebreid) proces-verbaal is opgemaakt. Daarin zijn de door de ter zitting aanwezige partijen afgelegde verklaringen opgenomen. Blijkens de tekst daarvan is de op 24 juni 2013 genomen eindbeslissing gewezen door een anders samengestelde Raad van Toezicht dan de op 3 december 2012 gewezen tussenbeslissing omdat twee leden van de Raad van Toezicht op grond van leeftijdsredenen inmiddels waren gedefungeerd en vervangen door twee andere leden van de Raad van Toezicht. Nu aangenomen moet worden dat de twee opvolgende leden kennis hebben genomen van het gehele dossier, waaronder het proces-verbaal van de zitting van 9 oktober 2012, kan niet worden geoordeeld dat door de Raad van Toezicht een beslissing is gegeven die tot stand is gekomen op een wijze die in strijd is met een in het Reglement Tuchtrechtspraak NVM gegeven voorschrift. Nu voorts in hoger beroep een geheel nieuwe en volledige behandeling van de klacht plaatsvindt bestaat geen grond om, zoals door B is verzocht maar waartegen door de beklaagden bezwaar is gemaakt, de behandeling terug te verwijzen naar de Raad van Toezicht. Evenmin bestaat aanleiding om in hoger beroep de behandeling van de klacht te voegen met de behandeling van de klacht die door FB administratieve consulting B.V. is ingediend tegen de A-bedrijven. Met betrekking tot de onder 3.2 – 3.4 opgenomen klachtonderdelen overweegt de Centrale Raad van Toezicht als volgt.
6.6  Het onder 3.2 opgenomen klachtonderdeel richt zich tegen S en O. In eerste instantie heeft O de aan hem gemaakte verwijten gemotiveerd betwist. Blijkens het proces-verbaal van de op 9 oktober 2012 gehouden zitting heeft F.P. B. meegedeeld dat hij niet kan aantonen dat O betrokken zou zijn geweest bij het vooropgezette plan om de S vennootschappen te laten failleren. Hij heeft voorts meegedeeld dat naar zijn mening de consument geen schade heeft geleden door het optreden van O. De Raad van Toezicht heeft blijkens zijn beslissing van 3 december 2012 overwogen dat de klacht tegen O zal worden afgewezen nu O de kritiek van B heeft betwist en deze heeft verklaard geen bewijs daarvoor te kunnen aandragen. In hoger beroep is B niet tegen deze overweging en de ten aanzien van de tegen O ingediende klacht genomen beslissing opgekomen.
6.7  In de kern betreft de klacht de gevolgde gang van zaken voorafgaande aan het faillisement van IZ en de daarna met de curator gemaakte afspraken. De door B daarop geuite kritiek wordt onderbouwd met verwijzingen naar verschillende door de curatoren opgestelde faillissementsverslagen. S heeft de desbetreffende verwijten gemotiveerd betwist en zich deels eveneens beroepen op de inhoud van deze verslagen. B, op wie tegenover de betwisting door S de verplichting rust om de klacht feitelijk te onderbouwen, is daarin naar het oordeel van de Centrale Raad van Toezicht niet geslaagd.
6.8   Uit de in het geding gebrachte faillissementsverslagen volgt onder meer dat in opdracht van de curator en met instemming van de Rechter-Commissaris door een externe accountant een boekenonderzoek is uitgevoerd. Hoewel op het moment van de mondelinge behandeling van het hoger beroep van de klacht de faillissementen nog niet waren afgewikkeld, is een jaar na het beschikbaar komen van de uitkomst van het boekenonderzoek, niet gebleken dat voor de curator tot dat moment aanleiding bestond om tegen de voorafgaande aan het faillissement gevolgde handelwijze op te komen en ter zake een rechtsvordering in te stellen. Evenmin is gebleken dat voor de FIOD/ECD aanleiding bestond om tegen S (en IZ of S Woningmakelaars) maatregelen te treffen en van hen enige betaling te vorderen.
6.9  Voorts geldt dat met toestemming van de Rechter-Commissaris door de curator de opdrachtenportefeuille en enkele andere activa zijn verkocht. Niet gebleken is of valt in te zien dat deze onder toezicht van de Rechter-Commissaris uitgevoerde, en ook voor onder meer de crediteuren en andere derden te controleren transactie, niet zou zijn geoorloofd en de crediteuren daardoor zouden zijn benadeeld. Ten overvloede overweegt de Centrale Raad van Toezicht dat B niet aannemelijk heeft gemaakt dat met de curator een te lage koopsom zou zijn overeengekomen en sprake zou zijn van de verkoop van 400 -500 opdrachten zoals B heeft gesteld, in plaats van de door de curator in zijn verslag vermelde 186 opdrachten. De slotsom is dat ook tijdens de behandeling van de klacht in hoger beroep niet is gebleken dat S en O zich hebben schuldig gemaakt aan de onder 3.2 weergegeven handelwijze.
6.10  IZ heeft erkend dat abusievelijk op een door haar verzonden brief een onjuist handelsregisternummer is vermeld. De Centrale Raad van Toezicht acht een dergelijke omissie niet zodanig ernstig dat sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen.
6.11  In hoger beroep heeft S Woningmakelaars onbetwist gesteld dat zij met ingang van 7 augustus 2012 lid is geworden van de NVM en vanaf 15 mei 2012 de ten behoeve van haar werkzame makelaars aangesloten waren bij de NVM. Bij brief van 11 augustus 2012 aan de NVM heeft F.P. B. betoogd dat S Woningmakelaars geen NVM-lid zou zijn en door haar daarom onrechtmatig gebruik werd gemaakt van het NVM-logo. Nu S Woningmakelaars kennelijk op 7 augustus 2012 is toegetreden tot de NVM kan het gebruik van het NVM-logo nadien toelaatbaar worden geacht. In de in reactie op de brief van 11 augustus 2012 aan F.P. B. door de NVM verzonden e-mail ligt besloten dat de NVM geen aanleiding heeft gezien om S Woningmakelaars aan te spreken op het gebruik van het NVM-logo.
6.12  De slotsom is dat de onder 3.2 – 3.4 opgenomen klachtonderdelen ongegrond zijn. Als hiervoor overwogen onder 6.2 kunnen de beslissingen van 3 december 2012 en 24 juni 2013 niet in stand blijven.
6.13  Gelet op de inhoud van de statuten en het Reglement Tuchtrechtspraak NVM komt de Centrale Raad van Toezicht tot de volgende uitspraak.

7.     Beslissing in hoger beroep
7.1   Vernietigt de beslissingen van 3 december 2012 dn 24 juni 2013 van de Raad van Toezicht Arnhem.
7.2   Verstaat dat de tegen S Beheer ingediende klacht is ingetrokken en S Beheer geen partij (meer) is in deze klachtprocedure.
7.3   Verklaart de onder 3.2 – 3.4 opgenomen klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gewezen te Amersfoort door mr. D.H. de Witte, voorzitter, de heer mr. A.L.G.R. van Grinsven, W. van Haselen, F.J. van der Sluijs, leden en mr. J.A. van den Berg, lid/secretaris en ondertekend op 15 april 2014.